Koffer G8 Vertellen, de docent begint

naar hoofdmenunaarnaarnaarnaarnaarnaarnaarnaarnaarnaarnaar9G8 v2.jpeg

Vertellen & Luisteren


De docent opent het uitwisselen met de deelnemers met een eigen ervaring die is voorbereid. Van nature heeft de docent een voorbeeldfunctie in een klas of groep waardoor de manier waarop de docent zijn/haar verhaal vertelt model staat voor de deelnemers. Met de eigen ervaring kan de docent het proces, de aansluiting bij het thema, toegankelijk maken en richting geven. De vraag waarmee de docent de deelnemers uitnodigt om ook een ervaring te vertellen beïnvloedt wat en hoe ze gaan vertellen.

Wat vertellen & hoe aansluiting vinden?

De docent gaat eerst op zoek naar gebeurtenissen uit het eigen leven die een onderwerp kunnen introduceren bij de deelnemers. Van deze ervaringen een lijstje maken, creëert voor de docent overzicht. Bij de keuze uit het lijstje met ervaringen is het belangrijk om rekening te houden met de volgende aspecten: diepgang, grootte, veiligheid, verbinding met het thema (doel van de les) en doelgroep. Wie zijn de deelnemers?

Bij het thema grenzen vertelt de docent bijvoorbeeld over een keer dat hij/zij mishandeld is. Deze ervaring is al snel te groot. De deelnemers worden automatisch – een kenmerk van associëren – op het spoor gezet van een te grote ervaring. Het veiligheidsgevoel in de groep en van iedere deelnemer in de groep komt dan in het geding.
Daarnaast kunnen deelnemers zonder een grote ervaring geen aansluiting vinden. Kies daarom uit de lijst met herinneringen een ervaring waarmee bij de deelnemers de meeste kans op aansluiting is. Vaak is dat met een minder beladen ervaring.
Als je het bijvoorbeeld over een groot thema als discriminatie wilt hebben, kun je het dichterbij brengen door te kiezen voor een ervaring die te maken heeft met buitensluiten. Je kunt dan vertellen over een keer dat je werd buitengesloten of dat je iemand anders buitensloot. In het drieluik kun je dat dan later koppelen aan discriminatie.

Het vertellen van een eigen ervaring

De ervaring van de docent dient als voorbeeld voor de deelnemers. U kunt met uw eigen ervaring het onderwerp introduceren en beïnvloeden wat en hoe anderen gaan vertellen. Let daarom op de volgende aspecten bij het vertellen over die ervaring:

  • Begin direct te vertellen, zonder te veel inleiding;
  • Vertel precies en helder;
  • Zorg voor variatie in zinslengte en woordgebruik;
  • Houd de begin-midden-eindstructuur in de gaten;
  • Kies bewust welke bijvoeglijke naamwoorden u kunt gebruiken om extra kleur (informatie) te geven aan de deelnemers;
  • Als er dialogen voorkomen in de ervaring kunt u die ook in uw vertelling opnemen;
  • Neem details in uw vertelling op, waardoor uw ervaring meer tot de verbeelding spreekt;
  • Neem in de beschrijving van uw ervaring één of meer zintuiglijke waarnemingen op;
  • Wees zo volledig mogelijk. Vertel bijvoorbeeld met wie en waar u was, wat er precies gebeurde, hoe dat ging, hoe u zich voelde en hoe anderen reageerden;
  • Stel uzelf vragen als: Wat gebeurde er? Wat deed ik? Wat dacht ik? Wat voelde ik? Hoe reageerde ik? Hoe reageerden anderen? Wat werd er gezegd?;
  • Vertel uitsluitend over een werkelijk gebeurde ervaring. Plaats de ervaring niet langer terug dan drie maanden tot een jaar. Een uitzondering kunt u maken voor een thema als familie, waarbij de ervaringen zich duidelijk kunnen afspelen in het verleden. Houd in de gaten hoelang u bezig bent met vertellen;
  • Vermijd het samenvatten van het verhaal en geef geen conclusie;
  • Oefen het vertellen van de eigen ervaring en het stellen van de verbindingsvraag met bijvoorbeeld een collega of vriend. Zie bij Instrumenten: Vragen stellen - verbindingsvraag;
  • Zorg ervoor dat u zich bij het delen van uw eigen ervaring alleen richt op het losmaken van de verhalen van de deelnemers. Het is niet de bedoeling dat u op zo’n moment kennis overdraagt, omdat het puur gaat om iets wat u heeft beleefd en waarover u onbevangen vertelt. U wilt ook dat de deelnemers onbevangen over hun ervaringen vertellen en dat ze zich niet beoordeeld voelen. Het gaat om de gelijkwaardigheid tussen de vertellers en niet om het checken van hun kennisniveau;
  • Soms - vooral als deze werkvorm nog onbekend is - wil er niemand vertellen. Dat is niet erg en kan worden opgelost door direct door te gaan met het maken van een lijstje. Maar het heeft de voorkeur dat de deelnemers zich uiteindelijk toch uitgenodigd gaan voelen en hun schroom overwinnen. Het vertrouwen van de deelnemers groeit met de veiligheid die zo worden ervaren;
  • Wanneer de vertelronde even stilvalt, ligt dat meestal niet aan het onderwerp. Er komen vanzelf weer nieuwe verhalen. Ga na één of twee verhalen in de kring met de volgende stap.

Luisteren

De deelnemers ervaren wat het is als anderen aandachtig naar hun luisteren, hoe het is om vragen te krijgen en wat ze daarmee kunnen doen. Dit proces komt vanzelf tot stand. Iedere keer wordt een verteller beter in het vertellen en worden luisteraars scherper in het luisteren.

Luisteren naar iemand met aandacht kunnen de deelnemers met de werkvormen uit Laat Je Zien oefenen. Ze ervaren plezier als hun eigen ervaringen de aandacht krijgen die ze verdienen en kunnen op hun beurt ook anderen dit plezier gunnen. Door met aandacht te luisteren oefenen de deelnemers tegelijkertijd hun focus en concentratie.


Uitgewerkt voorbeeld I
Van ervaring naar thema

U vertelt over een keer dat je iemand hebt geholpen of een keer dat iemand jou geholpen heeft. Formuleer de ervaring actief:

Op de speelplaats waar ik woonde stond een hoge glijbaan. Ik wilde eraf maar durfde niet. Mijn vriendin ging als eerste naar boven. Ik keek naar haar. Toen ze mij riep ging ik ook. Het ijzer van de trap was koud en ik ging langzaam naar boven. Helemaal bovenaan zat mijn vriendin. Ze wachtte op mij. Toen ik er bijna was gleed ze naar beneden. Zomaar. Ik kon niets meer zeggen. Ik voelde me niet zo lekker helemaal bovenaan. Ik ging zitten op het ijzer van de glijbaan. De wind waaide en beneden stond mijn vriendin te wachten, ze lachte. Ik wist niet hoe ik het moest doen zonder zo bang te zijn. Mijn vriendin merkte het en kwam over de glijbaan naar boven. Ze ging voor me zitten. Ze zei hoe ik achter haar moest aanschuiven en haar vasthouden. Samen gleden we naar beneden en gingen heel hard. Ik vond het leuk. Daarna deden we het iedere middag, als we konden, weer.

Naar aanleiding van dit voorbeeld kun je verschillende verbindingsvragen formuleren die diverse onderwerpen behandelen, bijvoorbeeld: ‘Kunnen jullie je herinneren dat je een keer heel bang was en wat er toen gebeurde?’ (Onderwerp wordt dan een keer dat je bang was). Een andere insteek zou kunnen zijn: ‘Wie van jullie wil vertellen over een keer dat iemand jou geholpen heeft? Of dat jij iemand hebt geholpen?’ (Onderwerp wordt dan een keer dat je iemand hebt geholpen of een keer dat iemand jou geholpen heeft.)

  • Wanneer de vertelronde even stilvalt, ligt dat meestal niet aan het onderwerp. Er komen vanzelf weer nieuwe verhalen. Na één of twee verhalen in de kring gaat de docent naar de volgende stap. Soms, vooral als deze werkvorm nog onbekend is, wil er niemand vertellen. Dat is niet erg en kan worden opgelost door direct door te gaan met het maken van een lijstje. Maar het heeft de voorkeur dat de deelnemers zich toch uitgenodigd gaan voelen en hun schroom overwinnen. Het vertrouwen van de deelnemers groeit met de veiligheid die zo kan worden ervaren.
Uitgewerkt voorbeeld II
Van thema naar ervaring

U kunt bijvoorbeeld vertellen over een keer dat je te laat was of dat iemand anders te laat was en wat er gebeurde:

Ik zit aan de telefoon. Daniël staat onder de douche. Ik hoor hem zingen en praten. Hij speelt met zijn Pokemons en laat het water over zich heen spoelen. Na een tijdje zeg ik: ‘Ik hoor niets meer.’ Ik hang op en ga kijken. Daar zie ik hem zitten. Het water stroomt en hij slaapt. Ik zet de douche uit en pak een handdoek. Daniël wordt wakker als ik hem oppak. Hij laat zich wentelen in de warme handdoek en ik neem hem op schoot. ‘Ik was in slaap gevallen? Toch?

Daarna vraagt u of de deelnemers nog vragen hebben of meer willen weten over iets. Hierbij is het van belang dat deelnemers geen kennisvragen stellen maar verduidelijkingsvragen. De verteller is degene die weet wat hij of zij heeft meegemaakt. Het vertellen over die ervaring is hier belangrijk; niet of het waar is of niet, of het mogelijk is of niet.

Aan de ene kant is het stellen van vragen relevant, omdat het de kring losser maakt en er zo vertrouwen wordt opgebouwd. Aan de andere kant is het een eerste stap naar het concreter, helderder en preciezer krijgen van een verhaal. De verteller krijgt de kans toe te lichten en uit te breiden en kan die toegevoegde details meenemen naar zijn eigen geschreven versie van het verhaal.

Soms is het nodig de deelnemers bewust te maken van het type vragen dat bij voorkeur gesteld kan worden om de verteller te versterken en om meer te weten te komen over de gebeurtenis. Bijvoorbeeld: ‘Wie was er bij je?’, ‘Wat zag je?’, ‘Wat rook je?’, ‘Hoe zag het eruit?’, ‘Welk moment van de dag was het?’ en ‘Wat voor een geluiden waren er?’

Nadat de docent zijn eigen ervaring heeft verteld, nodigt hij/zij de andere deelnemers uit om ook een ervaring te vertellen. De vraag waarmee de docent anderen uitnodigt, de verbindingsvraag, is helder, open en op zoek naar ervaringen die in hetzelfde gebied zitten maar niet hetzelfde zijn.

Een voorbeeld verbindingsvraag bij het vertellen over een keer dat je te laat was of dat iemand anders te laat was:
‘Wie van jullie wil vertellen over een keer dat je ergens laat mee was?’ Als een deelnemer begint te vertellen, is dat fijn. Soms kunnen de deelnemers nog niet uit zichzelf vertellen. De docent kan dan de vraag uitbreiden met de vraag: ‘Kan iemand vertellen over een keer dat je ergens te laat kwam?’ Of met de vraag: ‘Kan iemand vertellen over een keer dat je op iemand moest wachten?’ De docent geeft ook aan dat de ervaring idealiter niet te lang geleden heeft plaats gevonden: ‘Denk aan de afgelopen week of maand. Misschien is het langer geleden, dat kan ook, maar bij voorkeur niet te lang geleden. Het is in ieder geval belangrijk dat je je het meegemaakte nog goed herinnert.’

Alle deelnemers in de kring zullen gaan nadenken. Ze worden gestimuleerd zich gebeurtenissen uit het eigen leven te herinneren die iets met deze vraag te maken hebben. Daarna kan iemand beginnen met vertellen. De andere groepsleden luisteren dan en kunnen aan het einde van het verhaal vragen stellen. Er zijn veel verschillende soorten vragen. Behulpzame vragen zijn bijvoorbeeld: Wat deed je? Wat deden de anderen? Wat gebeurde er? Wat zei jij? Wat zeiden de anderen? Commentaar leveren is onder geen enkele voorwaarde toegestaan.

Wanneer de vertelronde even stilvalt, ligt dat meestal niet aan het onderwerp. Er komen vanzelf weer nieuwe verhalen. Na één of twee verhalen in de kring ga je naar de volgende activiteit, lijstje maken en kiezen.